Niemandsland
- 22 feb
- 1 minuten om te lezen
zorgeloze zomers waren het. achter de hoeve lag onze uitkijkĀ
op de wereld. wij waanden ons onsterfelijk en goddelijk tegelijk.Ā
in onze hoofden lag elk ver goudland aan onze kindervoeten.
Winnetou of William Cody waren wij, al naargelang de boekenĀ
die wij lazen. urenlang lagen wij in hinderlaag. priktenĀ
gewetenloos vlinders op bordpapier en vergaarden dromenĀ
die nu enkel nog dromen zijn. tot die laatste argeloze zomer.Ā
onomkeerbaar sloeg het noodlot toe. in onze kelen groeideĀ
onverbiddelijk een baard. vlinders werden meisjes en de briesĀ
die in hun zomerjurken speelde, wakkerde de aasgier in ons aan.Ā
helaas zijn ook die jaren zoek geraakt in een lang verloren paradijs.
want wie van ons verzon niet ooit de mooiste verzenĀ
in het zand maar zag ze met de tijd door wind en waterĀ
weg geveegd naar een onvindbaar niemandsland?

